Afrikaanse muziek

Woensdag tot en met vrijdag (10u-16) : 18, 19, 20 augustus 2010

Bij de buren op bezoek

Zaterdagnamiddag (14u-16.30u): 21 augustus 2010

Heb je even tijd ... voor jezelf?

Dinsdag- tot en met donderdagvoormiddag (9.30u-12.30u): 24, 25, 26 augustus 2010

Basiscursus fietsonderhoud

3 dinsdagavonden (19.30u-22u): 14, 21, 28 september 2010

Intuïtie en de kracht om je levenspad te gaan

Zaterdag (9.30u-16.30u): 18 september 2010

info activiteiten > Filosofie en zingeving



Filosofie en zingeving

Darwin of God? Interview met Johan Braeckman

Johan Braeckman

150 jaar geleden publiceerde Charles Darwin 'Over de oorsprong der soorten'. Hij had lang geaarzeld om zijn ideeën publiek te maken, enerzijds omdat hij zijn theorie steeds beter wou ondersteunen, anderzijds omdat hij vreesde dat die als een bom zou inslaan. Wat was nog de plaats van God in het blind en doelloos proces van evolutie dat hij zo minutieus beschreef? In 'Darwins moordbekentenis' schetst professor Johan Braeckman de ontstaansgeschiedenis van Darwins gedachtegoed, dat ook nu nog op felle weerstand kan rekenen. En dat niet alleen bij creationisten.

Tim Deschaumes

Je bezocht onlangs het Creation Museum in Kentucky. Voor een scepticus en atheïst moet dit een bevreemdende ervaring geweest zijn.
Als scepticus zeker, maar je hoeft geen atheïst te zijn om dit een bevreemdende ervaring te vinden. Iedereen die de basisinzichten en methodologieën van de natuurwetenschappen accepteert, heeft in het museum
het gevoel in een soort parallel universum rond te wandelen. Over de ligging van het museum is goed nagedacht, want het is voor 70 procent van de Amerikanen binnen één dag bereikbaar. Het opende zijn deuren pas in 2007, maar kreeg toch al een miljoen bezoekers over de vloer. Het heeft een kleine 30 miljoen dollar gekost. Zo kon men de beste mensen qua animatie en architectuur aantrekken, zoals Hollywoodmensen die hun knowhow van de film Jurassic Park gebruikten voor het ontwerp van de dinosaurussen. Het museum beeldt het boek Genesis uit alsof het een wetenschappelijke tekst is. Bezoekers leren er dat de aarde slechts 6000 à 7000 jaar oud is en dat dinosaurussen in dezelfde periode leefden als Adam en Eva. Dieren, planten en mensen zijn volgens Genesis in een paar dagen geschapen. Volgens de moderne wetenschap zit daar 80 miljoen jaar tussen. De mensen achter het museum vinden dat wetenschap feilbaar is en geen maat voor het woord
van God.

De initiatiefnemers zijn dus jongeaardecreationisten?
Juist. De organisatie die erachter schuilgaat, luistert naar de veelzeggende naam Answers in Genesis. Zij wordt geleid door Ken Ham, een vlot redenaar die rotsvast overtuigd is van zijn eigen gelijk. Voor mij is hij vooral iemand die kinderen indoctrineert. De organisatie biedt veel 'studiemateriaal' aan dat op kinderen is gericht. Die dragen T-shirts met de boodschap 'I went to
the Creation Museum and I believed'. Kinderen vinden zo'n museum fantastisch. Enerzijds is het ook een leuk museum, anderzijds is het een hallucinante en onwezenlijke plek: op de bordjes bij de dinosaurussen lees
je dat ze in 2348 v.Chr. zijn uitgestorven. Compleet absurd: dat gaat in tegen de evolutietheorie, de geologie, de paleontologie en diverse andere wetenschappelijke disciplines. Waarom precies dàn? De zondvloed is gekomen
en ze zijn allemaal verdronken, behalve een paar die op de ark zijn geraakt. Je kunt het allemaal grappig vinden, maar eigenlijk is het schrijnend: de bezoekers geloven het. Velen waren allicht al overtuigd voor het bezoek, maar vinden bevestiging. Ze hebben nu ook een eigen 'natuurwetenschappelijk' museum. De hele evangelische beweging leeft in een eigen wereld: ze gaan naar eigen kerken, eigen winkels, eigen scholen. Sinds de jaren '90 geven polls een enorm hoog cijfer voor het aantal jongeaardecreationisten in Amerika: 45 procent van de Amerikanen gelooft dat de aarde 6000 jaar oud is! Bizar voor een land aan de top van de wetenschap.

In Amerika is het duidelijk een probleem. Maar inVlaanderen is men nuchterder dan in het 'gekke' Amerika?
Wat mij intrigeert is hoe het komt dat mensen die niet ongeletterd zijn of geen psychische problemen hebben het creationisme toch aanvaarden. Het is toch ongelooflijk dat miljoenen Amerikanen in de 21ste eeuw het boek Genesis letterlijk interpreteren. Een gezond menselijk brein en normale psychologische mechanismen zijn blijkbaar zeer kwetsbaar om overtuigingen aan te nemen waar geen goede argumenten voor bestaan. Creationisten zijn vaak verstandige mensen die goed kunnen rationaliseren. Ken Ham is een scherpzinnig man die zichzelf handig immuniseert voor alle mogelijke
kritieken. In Vlaanderen zijn er nauwelijks jongeaardecreationisten te vinden, dankzij degelijk wetenschappelijk onderwijs en, in zekere zin, het katholicisme. Wat betreft de wijze waarop de wereld in elkaar zit, is het katholicisme al lang geen indoctrinerende godsdienst meer. Het feit dat het creationisme hier geen voet aan de grond krijgt, wil echter niet zeggen dat mensen de
evolutietheorie ten volle accepteren. Vaak beweren ze van wel, maar als je doorvraagt blijkt dat ze de theorie eigenlijk niet goed kennen. Vlaanderen kent overigens ook andere vormen van creationisme: het islamitisch creationisme, en het weliswaar marginale joodse en protestantse creationisme.

Wat zijn de verschillen?
Het islamitisch creationisme accepteert dat de aarde miljoenen jaren oud kan zijn: daarom heet het oudeaardecreationisme. Het is even irrationeel als het
jongeaardecreationisme, want het verwerpt alles wat naar evolutie verwijst. Dat heeft als gevolg dat oudeaardecreationisten fossielen of de verwantschap
tussen soorten anders interpreteren. Ze hebben ook de neiging om de historische figuur Charles Darwin te demoniseren: ze denken dat zijn theorie automatisch tot atheïsme leidt, wat voor hen gelijkstaat met immoraliteit. Als we 'afstammen van apen', dan gaan we ons als beesten gedragen. Ook hier gaat hun redenering grondig de mist in. De islamitische creationist Harun Yahya verwijst zelfs naar 9/11. Volgens hem is de aanslag gepleegd door 'darwinisten' en dus niet door islamitische fundamentalisten. Als je 'darwinist' bent heb je geen respect meer voor menselijk leven, is de onderliggende boodschap. Christelijke creationisten verwijzen dan weer naar de zogenaamde link tussen
Darwin en de Holocaust. Los van het feit dat Darwin een zeer zachtaardig man was, met veel respect voor humane waarden, is het volkomen onterecht om de wetenschappelijke inzichten die Darwin naar voren bracht verantwoordelijk te achten voor de terreur waar creationisten naar verwijzen. Maar het centrale punt hier is, kort samengevat, dat wetenschap over de feitelijke eigenschappen van de werkelijkheid gaat, en ons geen ideologie, geen politiek, geen moraal, noch waarden of normen voorschrijft.

De evolutietheorie roept nog steeds weerstand op bij mensen met de meest uiteenlopende levensbeschouwingen: van links tot rechts, van conservatief tot
progressief.
Dat klopt. Het creationisme zit vooral in rechts-conservatieve hoek, maar je vindt bij alle 'ismen' wel mensen die moeite hebben met de evolutietheorie. Feministen, marxisten en meerdere antropologen hebben politieke
en morele bezwaren. De rode draad doorheen hun misprijzen is dat zij de evolutietheorie associëren met genetisch determinisme, seksisme, het recht van 'de sterkste', kapitalisme ... Je kunt historisch nagaan in hoeverre termen en ideeën die bij Darwin zijn ontstaan langzaam maar zeker zijn overgeheveld naar andere domeinen en ideologisch zijn misbruikt. Het sociaaldarwinisme
is daar een voorbeeld van. Je moet dat onderscheiden van de wijze waarop wetenschappers de evolutietheorie de voorbij 150 jaar hebben gebruikt. Bij heel veel recente toepassingen van de evolutietheorie heeft men een hoge mate van neutraliteit bereikt. Toch liggen vandaag mensen die zich 'evolutiepsychologen' noemen onder vuur. Dat zijn onderzoekers, en ik sta daar zelf achter, die ideeën uit de moderne evolutietheorie trachten toe te passen op onderwerpen en problemen uit de mens-, cultuur- en gedragswetenschappen. Heel veel mensen staan hier argwanend
tegenover: zij hangen vast aan de oude kloof tussen natuurwetenschappen en cultuur- en gedragswetenschappen. Het is normaal dat men huiver voelt en de
lat zeer hoog legt voor wetenschappelijk onderzoek dat maatschappelijke relevantie heeft. Ik vind ook dat men daar voorzichtig moet mee zijn. De geschiedenis toont aan dat men te vaak te snel wetenschappelijke inzichten, die al snel achterhaald of zelfs 'gefrabiceerd' bleken te zijn, gebruikte om politieke standpunten te verdedigen of een politiek programma uit te voeren.
Toch ben ik ervan overtuigd dat het mogelijk is om op een neutrale manier inzichten uit de evolutiebiologie te gebruiken om, bijvoorbeeld, man-vrouwverschillen beter te begrijpen. Feministen staan daar huiverig tegenover, maar je kunt dat onderzoeken zonder politieke agenda, om zuiver wetenschappelijke redenen. Wat men dan met die kennis al dan niet aanvangt, is een andere kwestie.

De theorie lijkt eenvoudiger dan hij is: het is niet zo makkelijk om hem snel onder de knie te krijgen.
Het is inderdaad vrij moeilijk om die kennis te verwerven. Als je pakweg als psycholoog, econoom of kunstwetenschapper bent opgeleid, is de kans groot dat je nooit iets gehoord hebt over de evolutietheorie, laat staan over de vernieuwde inzichten die vanaf de jaren 1960 zijn ontstaan. Ik heb me daar zelf al twintig jaar in verdiept, en leer nog alle dagen bij. Het kost bovendien veel inspanning om de theorie nauwkeurig te vertalen naar de menswetenschappen. Zelfs de mensen die de evolutietheorie genegen zijn, geven haar vaak te ongenuanceerd weer.

Wat zijn de meest opvallende inzichten die het onderzoek opleverde?
In de psychologie boekte men interessante resultaten bij de studie van man-vrouwverschillen, seksualiteit en diverse emoties zoals walging, angst, woede, liefde en verliefdheid. Wat vinden mensen aantrekkelijk in andere mensen? Waarom is dat zo? In de moraalwetenschappen kwamen er ook reeds interessante inzichten naar voren, bijvoorbeeld bij onderzoek van het incesttaboe. Hoe komt het dat alle culturen regels en normen hebben die bepalen met wie je seks mag hebben? Overal blijkt dat het not done is om seks te hebben met je zus, je broer of je ouders. Traditioneel betwistte men
de universaliteit van het incesttaboe, maar er zijn geen culturen waar een vorm van incesttaboe niet bestaat. In alle culturen komt, ondanks het taboe, incest voor, maar het wordt overal als ongewoon beschouwd. In de traditionele visie is het incesttaboe puur cultureel tot stand gekomen. Dat betekent dat, als de media, ouders en geestelijken voortdurend zeggen dat het oké is om seks te hebben met verwanten, onze opinies daarover in een paar generaties zouden veranderen. Dat betwijfel ik sterk. Tieners over de hele wereld staan vanaf
een bepaalde leeftijd afkerig tegenover seks met een nauwe genetische verwant, zonder dat hun ouders hen daar attent op moeten maken. Dat is nu net iets wat je kinderen niét moet aanleren. Vanuit de evolutietheorie kun je voorspellen wanneer het incesttaboe wel of niet zal voorkomen: als mensen genetisch verwant zijn, maar niet samen zijn opgegroeid, is er geen incesttaboe. Ander onderzoek richt zich op morele emoties:
waarom kennen we gevoelens als schuld, jaloezie, trots, angst of eer? Op basis van die studies kun je bijvoorbeeld voorspellen wanneer iemands eer gekrenkt zal worden. Nog ander onderzoek leverde inzichten op over empathie, altruïsme, samenwerking, en andere aspecten die tot onze sociale natuur behoren.

Er wordt ook veel onderzoek verricht naar schoonheid.
Vooral naar schoonheid die je ziet in andere mensen. Schoonheid in de kunst werd voorlopig minder onderzocht, alhoewel evolutionaire esthetiek ook opgang
maakt. Waarom vinden we een schilderij of een beeldhouwwerk mooi? Kunstfilosoof Dennis Dutton schreef er het boek 'The Art Instinct' over. Deze auteurs passen evolutionair-theoretische inzichten toe in verschillende
disciplines. Ze houden het niet bij louter speculatieve bedenkingen, maar baseren zich op uitgebreid experimenteel onderzoek en pogen ook zelf aan theorievorming te doen en hypothesen te formuleren, die dan ook weer experimenteel getest kunnen worden. Ik kan me voorstellen dat kunstliefhebbers en geliefden huiverig staan tegenover dit soort onderzoek: het 'reduceert' gevoelens als verwondering en passie. Die kritiek heb ik inderdaad al vaak gehoord. Onlangs maakte iemand zich tijdens een lezing kwaad over de toepassing van evolutionaire inzichten in de literatuurwetenschappen. Ik begrijp dat niet zo goed. In kunstwétenschappen zie ik niet in hoe je er tegen kunt zijn om die disciplines wetenschappelijk te maken: gegevens verzamelen, experimenten doen, hypotheses testen ... Waarom maken mensen kunst? Subjectieve analyses van pakweg het werk van Dostojevski kunnen uiteraard zeer waardevol zijn, maar die noem ik geen literatuurwetenschap. Het zijn individuele, vaak scherpzinnige visies, maar het is geen wetenschap in de volle zin van het woord. We lopen in de menswetenschappen achter op de natuurwetenschappen, niet omdat we dommer zijn, maar omdat onze onderwerpen moeilijker zijn en men koudwatervrees heeft over het gebruik van inzichten en methodes uit de natuurwetenschappen. Het is natuurlijk makkelijker om de zebra dan de mens te bestuderen. Het zou echter een vergissing zijn om te denken dat het onmogelijk is om objectieve en generaliserende kennis over de mens te
verkrijgen. Het echt interessante is dat mensen over de hele wereld – bijvoorbeeld – kunst maken. Er zijn geen culturen zonder artistieke expressie. Wat we traditioneel als cultuurgebonden hebben bestudeerd, daarvan kunnen we nu zeggen: het is des mensen, het komt overal voor. Ik vind niet dat wetenschappelijk onderzoek het kunstwerk of de geliefde ontwaardt. Dawkins stelde het al in zijn boek 'Een regenboog ontrafelen': het is niet omdat
je de optica van Newton kent, die begrijpelijk maakt wat een regenboog is, dat je de regenboog daarom niet meer mooi of fascinerend zou vinden. Misschien is het tegendeel waar: het is door het wetenschappelijk inzicht dat je ontroering verdiept. Stel dat een verliefde wetenschapper de evolutionaire, hormonale en neurobiologische verklaring kent van zijn eigen verliefdheid, dan doet die toch geen afbreuk aan zijn beleving ervan? Het zou zeer vreemd zijn moest die kennis het gevoel doen verdwijnen. Het is niet omdat je weet wat pijn is, dat hij verdwijnt. Iemand die niets van de werking van pijn afweet, beleeft op exact dezelfde manier pijn. Kennis kan wel helpen om de pijn in een context te plaatsen. Het is niet omdat je weet wat de chemische formule is van chocolade dat je chocolade niet meer lekker vindt. Voor mij neemt wetenschappelijke kennis niets positiefs weg en kan het de ervaring verdiepen. Wat willen we het liefst: onwetendheid die bepaalde ervaringen onaangeroerd laat, of kennis waar je nauwelijksof niet een prijs voor moet betalen, en alleen maar kan bij winnen?

Darwin zelf moest ook in een zure appel bijten. Hij was oorspronkelijk een gelovig man.
Hij volgde een theologieopleiding nadat hij zijn geneeskundestudie
had opgegeven. Hij geloofde wat hij las in de boeken van William Paley, die moesten aantonen dat de natuur zo vernuftig in elkaar steekt dat hij wel door een intelligente schepper moet zijn ontworpen. Toen sprak men van natuurtheologie, maar de logica is dezelfde als die van het zogenaamde Intelligent Design van nu. Enkel de voorbeelden verschillen: voorstanders van Intelligent Design hebben het over zweepstaartjes van bacteriën, mensen zoals Paley en Bernard Nieuwentyt hadden het over het oog of het hart om het vernuft van de natuur te illustreren. Het oog of het zweepstaartje moet kant en klaar aanwezig zijn, anders kan het zijn functie niet uitoefenen, gaat de redenering. Zo'n constructies kunnen onmogelijk per toeval zijn ontstaan, dus ze moeten wel van bovenaf gemaakt zijn. Zoals een horloge door een horlogemaker is gemaakt, zo is de mens door God ontworpen. De fout is dat het wordt voorgesteld alsof je moet kiezen tussen toeval of intelligent ontwerp. Er is namelijk een derde weg: er kunnen structuren ontstaan die eruitzien alsof ze intelligent ontworpen zijn, maar in werkelijkheid het resultaat zijn van een blind mechanisch proces dat we kennen als evolutie door natuurlijke en seksuele selectie. En dat is niet gelijk aan het toeval. Hettoeval speelt een rol, maar selectie is in zekere zin het tegendeel van toeval. Elke week de lotto winnen, dat is toeval. Zo beschrijven intelligent designers evolutie,
maar dat is niet wat de evolutietheorie zegt. Het is alsof je elke week meespeelt op de lotto en telkens wanneer je een cijfertje juist hebt, mag je dat houden voor de volgende week. Dan kan het best snel gaan om alle zes cijfers juist te hebben. We hebben het niet overgelaten aan puur toeval, we hebben iets laten accumuleren. Zo werkt evolutie: je begint met een lichtgevoelige cel die je meeneemt naar de volgende generatie, dan krijg je er een tweede, totdat er een oogachtige structuur ontstaat. Geen puur toeval, geen design, maar evolutie en selectie.

Johan Braeckman is als hoofddocent verbonden aan de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap van de Universiteit Gent. In 2001 verscheen zijn boek Darwins moordbekentenis (Nieuwezijds). In 2008 schreef hij samen met Etienne Vermeersch De rivier van Herakleitos. Een eigenzinnige visie op de wijsbegeerte (Uitgeverij Houtekiet). Momenteel werkt hij aan een boek over het creationisme.

Links
www.evolutietheorie.be
www.johanbraeckman.be
www.hbes.com

Bron: Goedgevonden, jaargang 6, nummer 4, oktober - november - december 2009, p.4-7.

Van God los? Filosofisch dwalen met Jean Paul Van Bendegem

Jean Paul Van Bendegem (foto: Tim Deschaumes)'Over wat ik nog wil schrijven', het laatste boek van de Gentse filosoof Jean Paul Van Bendegem, is een heerlijk rariteitenkabinet dat de aanzet bevat voor tien nog te schrijven boeken. Die handelen over de meest uiteenlopende onderwerpen die toch verrassende verwantschappen vertonen: van wiskunde, scepticisme en Sherlock Holmes tot stripverhalen, humor, erotiek en pornografie. En natuurlijk ook over vrijmetselarij, religie, muziek en architectuur. Van Bendegem dwaalt inderdaad niet alleen graag door boeken, maar ook door steden. Als je Gent op een originele wijze wil beleven, dan is hij jouw uitgelezen compagnon voor een filosofische dwaaltocht doorheen de stad.

Tim deschaumes

Een boek schrijven over tien mogelijke boeken: zowat alles lijkt jouw interesse weg te dragen. Zijn er ook zaken die jou niét interesseren?
Ja, gelukkig maar (uitbundige lach)! Het gros van de sporten kan mij onmogelijk boeien. We hebben een buitenverblijfje waar veel vogels zitten. Het interesseert mij niet ze juist te benoemen. Mijn vrouw weet dat heel precies, terwijl er voor mij weer zo'n blauw ding voorbij vliegt dat geluid maakt. Als ik al zou kijken naar 'Temptation Island', dan is het met een sociologisch-filosofische blik om te begrijpen wat er hier aan de hand is. Ik kan daar echt niet in opgaan.

Je hebt zowel wiskunde als filosofie gestudeerd. Die brede interesse was er van meet af aan.
Ja, eigenlijk wel. Die overstap naar de filosofie was geen radicale heroriëntatie. Ik hou nog altijd zielsveel van wiskunde, maar raak er filosofisch niet mee in het reine. Er spookten filosofische vraagstukken door mijn kop die de wiskunde op zich niet kon oplossen. Zo vroeg ik mij af waar het concept van oneindigheid vandaan kwam. In de wiskundeopleiding kwam daar geen antwoord op. In de filosofie stelde iemand als Leo Apostel wél dergelijke vragen. Op dat ogenblik was oneindigheid voor mij nog uitsluitend een wiskundig-filosofisch probleem.

Later kreeg het begrip voor jou een filosofisch-religieuze invulling.
Ik ontwaarde in de geschriften van fi losofen als Descartes, Leibniz en Pascal een verband tussen het wiskundige en het religieuze. 'Oneindigheid' heeft dus ook iets te maken met ons beeld van de mens, de maatschappij en de natuur. Dat inzicht heeft geleid tot mijn boek 'Tot in der eindigheid' (1997). Daarin vroeg ik mij af: als ik die eindigheid doordenk, welk mensbeeld levert mij dat op? Moet ik er zoals Richard Dawkins vanuit gaan dat wetenschap tot atheïsme leidt? Of moet ik Gerard Bodifée volgen, die stelt dat sommige wetenschappelijke theorieën wel degelijk een gelovig mensbeeld
onderschrijven? Ik kwam tot de voor mij verrassende conclusie dat de hedendaagse wetenschappen, met inbegrip van de evolutietheorie, niet dwingend tot één bepaald mensbeeld leiden. Je kunt én evolutionair bioloog
én gelovig zijn. Er zijn natuurlijk wel grenzen: je kunt geen bioloog zijn én hardcorecreationist. Maar als je als christen voldoende ruimte laat in je denken, wat is dan het probleem om te zeggen dat hier op aarde alles verloopt volgens een stel wetmatigheden die eventueel door God himself geïnstalleerd zijn? Er zijn opties zat, zonder dat je moet zeggen: er moet een plan zijn. Je kunt het gewoon overlaten aan de natuurwetten. Dit is geen verfrissend nieuw idee, Spinoza kwam al aardig in die buurt. Ik hou mijn geest zeer open. Ik zal nooit
zeggen: wie de evolutietheorie onderschrijft, die moét atheïst zijn.

Kom je dan bij agnosticisme terecht?
Dat is een belangrijk discussiepunt waarbij ik aan de kant van Etienne Vermeersch sta. Als de wetenschappen op zich de zaak niet kunnen beslechten, dan moet het zijn dat er andere elementen meespelen. Omwille van de concrete maatschappelijke context waarin we nu zitten, vind ik het belangrijk om positie in te nemen en duidelijk te maken dat atheïsme een volwaardige
levensbeschouwing is. Ik heb ook persoonlijke motieven: ik vind het een zeer troostende gedachte dat, als mijn verblijf hier voorbij is, het ook echt gedaan is. Toch vraagt men mij telkens opnieuw: wéét jij dat? Neen, daarom noem ik het ook een levensbeschouwing, anders zou ik weer bij de wetenschap terecht komen. Ik plaag altijd mijn moslimstudenten: jullie boek, de Koran, staat vol met uitspraken over de ongelovigen. Jullie denken vaak dat ik dat ben, maar dat is ten onrechte. Ik heb zeer goed nieuws voor u: er bestaan geen ongelovigen. Ook atheïsten en agnosten zijn gelovigen. Een agnost gedraagt zich in de praktijk als een atheïst. Hij kan evenmin God laten tussenkomen.

Je ziet agnosticisme dus niet als een vorm van levensbeschouwelijke besluiteloosheid?
Een van de mooiste agnosten (lacht) die ik heb gekend, de Gentse musicoloog Jan Broeckx, was een uitgesproken agnost. Zijn positie was de uitkomst van een lang denkproces. Hij vond geen enkel argument dat hem overtuigend naar de ene of de andere kant duwde. Hij schortte zijn oordeel op, wat de uitkomst was van een beredeneerde positie.

Je noemt jezelf ook spiritueel atheïst?
Ik herken me goed in de teksten van Leo Apostel over spiritueel atheïsme en in Kruithofs 'De mens aan de grens'. De term is wel erg beladen geraakt. Ik spreek daarom liever over ervaringsatheïsme. Daarmee geef ik aan dat atheïsme niet louter de uitkomst is van een gedachteoefening, maar gebaseerd is op een doorleefde ervaring: ik ervaar mezelf als deel van het universum, wat iets subliems is. De term 'spiritueel' mag niet de indruk wekken dat er iets ontbreekt aan mijn atheïsme. Alhoewel ik toch moet bekennen dat de openingszin van Julian Barnes' recentste boek 'Nothing to be Frightened
Of', meer dan 200 pagina's over het omgaan met de dood, me wel een gevoel van herkenning gaf: I don't believe in God, but I miss him'. Damn, het zit diep (lacht hartelijk)!

We stappen over op een ander boek. Zo'n twintig jaar geleden was je medeoprichter van SKEPP. Heb je het gevoel dat SKEPP nog altijd even nodig is als toen?
Het heeft te maken met het mensbeeld waarover ik het had. Als de mens een evolutionair product is, dan moet hij daarvan de kenmerken dragen. Een van de basiskenmerken is dat de mens niet geëvolueerd is om de wereld naar waarheid te zien. Hij moet wel de juiste gegevens uit zijn omgeving halen die hem helpen om te overleven. Als er een roofdier afkomt, moet je de boom
inspringen en niet staan nadenken. De mens is ook een dier dat verzot is op het leggen van verbanden waar er helemaal geen verbanden zijn. Die neiging heeft vaak een overlevingsfunctie, maar ze is ook de voedingsbodem voor fenomenen waar SKEPP zich mee bezighoudt, zoals astrologie en telepathie. Of bijvoorbeeld de idee dat de afmetingen van één piramide je de sleutel geven
tot het hele universum. Dat is een zeer aantrekkelijke gedachte. Als het menselijk brein zo is geëvolueerd, dan is er ook geen reden om aan te nemen dat pseudowetenschap snel zal verdwijnen. Onlangs nam ik deel aan een aflevering van het VTMprogramma 'Het zesde zintuig'. De elf deelnemers kregen een proef die ze samen mochten oplossen. Er lag een omslag op tafel met een foto erin. Dat was een groepsfoto van henzelf. Ik kon vaststellen hoe slordig de televisiemakers tewerk gingen: de deelnemers mochten de omslag vastnemen en iemand hield hem zelfs voor het kaarslicht. Dat is niet ernstig meer. En dan nog lukte het niet! Eén van de elf zei: ik zie een man. Toen Johan Terryn de groepsfoto toonde, had die man het gevoel dat hij het bij het rechte eind had. Zie je wel, er staat een man op (lacht). Commerciële zenders
genieten zowel van de successen van deelnemers, als van hun mislukkingen.

Je vermeldt de Belg Paul Otlet die, lang voor het www werd ontwikkeld, met een steekkaartensysteem een overzicht wou bieden van alle menselijke kennis. Heb je het gevoel dat zo'n projecten, zoals Wikipedia of de World Digital Library, de wereld tot een betere plek maken?
In principe wel. Een grote kanttekening hierbij is wel de toegankelijkheid. In de derde wereld hebben veel mensen geen toegang tot het internet. Een positieve
evolutie is de opkomst van de gsm: via een veel directer kanaal kan men toch toegang krijgen. Maar een project zoals de 'World Digital Library' is heel duur. Het internet veronderstelt een economisch systeem dat het in zich heeft om ongelijkheden eerder te vergroten dan te verkleinen. Dat geeft mij een gemengd gevoel. Anderzijds is de snelheid waarmee je informatie kunt bereiken spectaculair toegenomen. Dat leidt weer tot een ander probleem, dat ik het icoonsyndroom noem: je scherm staat vol met icoontjes die verwijzen naar nog te lezen artikelen. Otlet kampte hier ook al mee: toen hij de kaap van een miljoen fiches passeerde, werd het een hele klus om de juiste informatie terug te vinden. Het zoeken op het web blijft nog steeds een vrij bruut systeem: daarom probeert men het zoeken met trefwoorden
te vervangen door inhoudelijk zoeken. Een ander nadeel van het internet is dat het de neiging heeft om bevestigend denken te verkiezen boven verfrissend denken. Amazon bevestigt mij steeds weer in mijn smaak. In de plaats van mij weer een detective aan te raden zouden ze mij moeten melden: 'Ben je nu
weer detectives aan het lezen, er zijn nog andere boeken ook!'. Dat gebeurt nooit, je krijgt altijd meer van hetzelfde.

Jouw fascinatie voor kennis, structuren en ordening brengt je bij het werk van de Britse cineast Peter Greenaway. Wat spreekt jou zo aan in zijn werk?
Er zitten ongelooflijk veel protestantse elementen in zijn films. De mooiste uitbeelding daarvan vind ik in 'The Cook, the Thief, His Wife and her Lover'. Die strakke structuur: buiten, keuken, restaurant en toiletten. Die bepaalt het hele verhaal. In die zin is er predestinatie aanwezig: de figuren lopen wel in die ruimtes rond, maar zij kunnen er niet aan ontsnappen. De personages denken het lot in handen te hebben, maar het wordt gedirigeerd. In contrast daarmee staat de aandacht die Greenaway besteedt aan het lichaam: ook het mooie lichaam, maar meestal het alledaagse lichaam. Zijn figuranten komen in alle kleuren en formaten, wat iets bevrijdends heeft. Er bestaat dus die spanning tussen het strakke en het bevrijdende. Bovendien situeert hij zijn werk uitgesproken in onze cultuur en doorspekt hij het met talloze culturele verwijzingen. Zijn liefde voor het boek komt naar voren in 'Prospero's Books',
zoals 'The Book of Water', waarin het effectief regent en hagelt (slaakt bewonderende kreet)!

Dat moét jou aanspreken, een film over 24 boeken!
Ja natuurlijk, zoals boeken over boeken. En een boek van boeken, zoals de Bijbel. Om die aan elkaar te rijmen, uit te leggen wat het ene boek met het andere te maken heeft, dat is een heel complexe zaak. Ik kan begrijpen dat er een hele theologische industrie over bestaat. Als je onze cultuur wil begrijpen, moet je de Bijbel gelezen hebben. Het is een sleutelboek dat ook veel zegt over de verhouding tussen geest en lichaam.

In je hoofdstukken over religie, humor en erotiek ga je op zoek naar een verklaring voor de religieuze aversie tegen het lichaam.
Ik blijf dat vreemd vinden. Je treft het zelfs aan bij sommige vormen van boeddhisme. Er is niets intrinsieks in die levensbeschouwing dat een afwijzing van het lichaam inhoudt, wel integendeel. En toch tref je bij boeddhistische monniken de wens aan om het lichamelijke te overstijgen. Natuurgodsdiensten, die wij vaak als primitief omschrijven, hebben vaak wél aandacht voor het lichaam. Waarom moet die verhouding bij de klassieke godsdiensten toch zo problematisch zijn? En dan die praktijken van zelfkastijding en geseling: om afstand van het lichaam te nemen, gaat men er op een bijzonder intense manier mee om. Dit maakt het helemaal pervers. Het gaat samen met ideeën van reinheid en onschuld. In vele levensbeschouwingen is bijvoorbeeld een vrouw onrein als ze haar maandstonden heeft, met het gevolg dat ze dan geen eten mag klaarmaken. Daarnaast stelt zich het probleem met humor: Jezus
lacht nooit. Er moeten toch vrolijke momenten geweest zijn? Misschien niet tijdens het Laatste Avondmaal, maar toch daarvoor? Mohammed lacht af en toe, maar je moet dan wel nagaan waarmee hij lacht. Zelfs de lach van de Boeddha is geen gulle lach, maar een lach die voortkomt uit contemplatie.

Over naar een ander boek: de vrijmetselarij omschrijf je als een genootschap dat de persoonlijke vervolmaking nastreeft in zo volkomen mogelijke harmonie
met de medemens. Ook hier klinkt het verlangen naar een bétere wereld door, zowel op persoonlijk als op maatschappelijk niveau.
Ja, de vrijmetselarij is altijd in de maatschappij gesitueerd en verandert mee met die maatschappij. De maçonnerie van de 19de eeuw in België is totaal verschillend van de maçonnerie vandaag. Nu kan de vrijmetselarij geen universiteit meer oprichten. Dat vind ik een goede zaak. In de 19de eeuw zou ik er voor geweest zijn: toen was er geen vrijruimte voor een liberale partij, laat staan een georganiseerde vorm van vrijzinnig humanisme. Dat bestaat vandaag allemaal wel, dus hoeft de vrijmetselarij die rol niet meer te spelen. In de vrijmetselarij kun je werken aan je persoonlijke vervolmaking en je draagt die uit naar de maatschappij. Zelf doe ik dat als prof en lesgever. Anderen vinden dat het een meer georganiseerde beweging zou moeten zijn. Als we daarvoor kiezen is er wel, wat mij betreft, een probleem met de geheimhouding.

Waar je zelf geen voorstander van bent.
Neen, de situatie is dermate gewijzigd dat vrijmetselaars zich rustig bekend kunnen maken. Dat zal aan hun werksituatie niets veranderen. Voor mensen die werken in een katholieke school, kan het nog wel een probleem zijn. Iedereen moet dat voor zichzelf uitmaken. Door openlijk te verklaren vrijmetselaar te zijn, gaf Karel De Gucht volgens mij een duidelijk signaal dat de politieke invloed ervan enorm verminderd is. Anders zwijg je er in alle talen over. Ik merk trouwens op lezingen dat de meeste mensen goed op de hoogte
zijn van de rituelen, de locaties of het verloop van de bijeenkomsten. Mensen komen één keer per week samen, kleden zich compleet onnozel aan, lopen en spreken niet meer gewoon, luisteren naar een bouwstuk en eten samen. Van een immense schoonheid! De broeders en zusters van de loge komen wekelijks
samen, iemand brengt een 'bouwstuk' en er wordt nagepraat.

Op Vormingplus hebben we ook groepen die wekelijks samenkomen, luisteren naar een lezing en napraten. Wat is het verschil?
Het uitvoeren van rituelen, die de schitterende eigenschap hebben dat ze vrij interpreteerbaar zijn. In sommige groepen gebruikt men het symbool van de Opperbouwmeester Opperbouwmeester, wat je totaal vrij mag invullen. Heel vaak wordt de letter G gebruikt, voor God of gnosis. Voor mij was dat na verloop
van tijd Godot geworden, diegene die voortdurend wordt aangekondigd,
maar waarvan je blij bent dat hij niet komt. Een tweede verschil is het bezinningsmoment, alhoewel ik dat ook zou kunnen opvangen met yoga of tai chi. Wat ik ook belangrijk vind is het uitgangspunt dat er geen thema's geschuwd worden en dat discussies zo open mogelijk moeten verlopen.

In de zomer begeleid je voor Vormingplus een filosofische dwaaltocht. Wat is het verschil met een gewone stadswandeling?
Er bestaan filosofische stadswandelingen, geïnspireerd op filosofen
die in de stad hebben gewoond, zoals bijvoorbeeld de Erasmuswandeling in Rotterdam. Dat is niet mijn bedoeling. Ik wou ook niet in het vaarwater van de stadsgids komen, die de feitelijke geschiedenis van de stad uit te doeken doet. De vraag die ik mij stel is: waarom ziet een stad eruit zoals ze eruit ziet?Waarom is het Citadelpark een mikmak van Franse en Engelse stijl? Wat betekent dat bijzondere standbeeld op het de Smet de Naeyerplein? Ik kijk naar het centrum van Gent als een sublieme vervalsing: dat is niet
het middeleeuwse centrum, maar het middeleeuwse centrum zoals geconcipieerd door de romantische bril van de 19de eeuw. Wat houdt dat in voor restauratie? De wandeling eindigt met een stadslegende over de haan op de Vrijdagsmarkt. Centraal in mijn dwaaltocht staat de beleving van de bewoner die dagelijks in Gent rondloopt.

Bron: Goedgevonden, jaargang 6, nummer 3, juli - augustus - september 2009, p.4-7. 


Meer info
filosofie en zingeving

Cursussen & projecten

Cursusoverzicht
Filocafé

Achtergrondinfo

Links

Artikels & interviews

- Die fles water daar, zie ik die echt?

- Het boeddhisme in België op weg naar erkenning
- Over levenskunst en dwaaltochten
(interview met Eva Rousselle)

- Euthanasie is geen taboe meer 
(interview met Wim Distelmans)